Deze spreekbeurt is gemaakt door Erik Bouwhuis

 

Waarom over roofvogels

 

Ik doe mijn spreekbeurt over roofvogels omdat het mijn favoriete vogels zijn en omdat ik ze erg mooi vind en er veel over te vertellen is.

 

 

Wat is een roofvogel

 

Er zijn zo’n 300 verschillende soorten roofvogels. Daarvan komen er ongeveer 30 in Nederland voor. Roofvogels zijn vogels die prooien vangen, doden en opeten. Het zijn echte vleeseters met een krachtige haaksnavel en sterke poten met gekromde nagels.

Een roofvogel jaagt niet voor zijn plezier, maar om in zijn levensonderhoud te voorzien. Veel vogelsoorten jagen op dieren,

maar zijn toch geen roofvogel. Een merel die een worm uit de grond trekt, is geen roofvogel maar een zangvogel. Hij heeft geen klauwen, ook geen haaksnavel. Een papegaai heeft wel een formidabele haaksnavel, maar geen klauwen. Bovendien eten papegaaien overwegend vruchten. Een uil hoort ook bij de roofvogels. Zij vormen een aparte groep. Alleen mijn spreekbeurt gaat niet over uilen.

 

 

Vormen en maten

 

Roofvogels variëren enorm in grootte. Dwergvalken zijn de kleinste roofvogels: ze meten maar 20 cm. van kop tot staart.

De Andescondor is met een spanwijdte van ongeveer 3 m. de grootste roofvogel. Bij de meeste soorten is het vrouwtje groter dan het mannetje. Bij sommige soorten haviken en valken zijn de vrouwtjes zelfs anderhalf keer zo groot als de mannetjes. De meeste roofvogels lijken op elkaar wanneer ze rusten. Maar als ze vliegen zie je enorme verschillen in vleugelvorm en –grootte. Meestal kun je hieruit afleiden welke jachttechnieken ze hebben en wat de aard is van hun leefgebied.

De bouw

 

Roofvogels zijn uitstekende vliegers. Net als andere vogels hebben ze sterke borst- en vleugelspieren om hun vleugels te bewegen.

Hun lichaam is bijna helemaal bedekt met veren, waardoor het glad en gestroomlijnd is en gemakkelijk door de lucht glijdt. Alle botten zijn licht. Roofvogels zijn in een aantal opzichten anders dan andere vogels. Zo hebben ze krachtige snavels en poten waarmee ze zeer goed kunnen jagen. Anders dan andere vogels hoesten ze braakballen op die bestaan uit de onverteerbare delen van hun prooi.

 

 

Klauwen

 

Een prooi pakken is een ding, een prooi doden en aan stukken scheuren iets anders! Een roofvogel moet zijn prooi in een stevige greep houden. Hiervoor is hij uitgerust met stevige poten, stevige tenen en scherpe kromme nagels. Toch bestaan er grote verschillen in de vorm van de klauwen. Met zijn zware poten kan een zeearend zijn prooi stevig vasthouden als hij er stukken vanaf probeert te scheuren. Een havik heeft enorm veel kracht in zijn poten. Daarmee kneedt hij zijn prooi. De lange nagels dringen diep in de pooi binnen en zorgen bijna onmiddellijk voor de dood. Een buizerd doet dat iets anders. Hij pakt zijn prooi stevig vast, maar de nagels en tenen worden om de prooi heengeslagen. Door stevig te knijpen, verstrikt hij zijn prooi. Ook de torenvalk beheerst deze truc, soms in combinatie met een stevige beet in de kop van de muis. Vergelijk dat  eens met een wespendief. Deze buizerdgrote roofvogel heeft korte, stevige tenen met zwak gekromde nagels. Daarmee kan hij goed krabben en lopen (handig bij het uitgraven van wespennesten) maar kan geen tegenstribbelende prooi vasthouden. Dat laatste is ook niet nodig omdat een wespennest nu eenmaal niet kan ontsnappen. 

 

 

 

Snavel

 

Alle roofvogels hebben een kromme snavel met een stevige haak eraan. Toch zijn er verschillen te ontdekken als je goed kijkt. Die verschillen hebben te maken met de manier van prooi doden en eten. Met een zware dikke snavel kan een grote prooi worden verscheurd (zeearend), een extra haakje aan de snavel is handig bij het doden van een prooi (valken), en een spitse slanke snavel is geschikt om larven uit een wespennest te peuteren (wespendief).

 

 

De zintuigen

 

Mensen gebruiken hun vijf zintuigen om de wereld te verkennen, namelijk hun gezicht, gehoor, reuk, smaak en tast. Vogels gebruiken meestal alleen hun gezicht en gehoor. Voor roofvogels is het gezicht verreweg het belangrijkste zintuig om de prooien waarvan ze leven te vinden en te vangen. Hun ogen zijn uitzonderlijk groot ten opzichte van hun kop en ze zitten zodanig in de schedel dat ze naar voren kijken. Doordat ze met hun ogen recht vooruit kijken, kunnen ze tijdens het jagen afstanden nauwkeurig schatten. Sommige kiekendieven en haviken gebruiken hun scherpe gehoor om te jagen. De gehooropeningen van vogels zijn vrij klein. Ze liggen achter de ogen en zijn onzichtbaar omdat ze met veren zijn bedekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vleugels en vlucht

 

De vleugels van alle roofvogels werken op dezelfde manier. Sterke borstspieren zorgen dat de vleugels op en neer slaan en stuwen de vogel voort door de lucht. Tijdens deze beweging gaan de vleugels in de luchtstroom omhoog en dragen ze het gewicht van de vogel.

De vorm van de vleugels kan variëren en past bij de leefwijze van

de vogels. Grote roofvogels zoals gieren, zweven vaak hoog in de lucht. Deze vogels hebben lange brede vleugels die op de luchtstromen glijden. De kleinere havikachtigen, zoals de torenvalk, hebben kortere, afgeronde vleugels en een lange staart waarmee ze snel door bosachtig gebied kunnen zigzaggen. De staart helpt alleen door het vogellichaam in evenwicht te houden en het door de lucht te leiden. Een gespreide staart bevordert de stijgkracht en helpt de vogel afremmen tijdens het landen.

 

 

Waar komen ze voor?

 

Over de hele wereld leven roofvogels, van in het hoge noorden tot in de woestijn, in bossen en in bergen, op het platteland en in de steden. Nederland heeft een rijke roofvogelbevolking. Om ze te zien moet je natuurlijk wel goed kijken op de juiste plekken en op de juiste momenten. Elke roofvogelsoort heeft zijn eigen leefgebied.

Soms is dat ’s zomers een andere plek dan ’s winters. Sommige roofvogels vliegen daarvoor zelfs naar een ander werelddeel,

zoals wespendieven. Die broeden in Europa maar overwinteren in

West-Afrika.

 

 

 

 

 

 

 

Waar leven roofvogels in Nederland

 

Bossen:

Omdat de meeste roofvogels in bomen broeden, zijn bossen geschikt om roofvogels te bekijken. In het broedseizoen kun je de volgende soorten zien: buizerd, havik, sperwer, wespendief, boomvalk, torenvalk. De meest opvallende van dit stel is de buizerd. De andere roofvogels vallen minder op, ook al omdat ze weinig geluiden maken. De beste kans om ze te zien, is aan de bosrand en bij open plekken in het bos, tijdens zonnig weer en midden op de dag.

 

Cultuurland:

Akkers en weilanden met bosjes zijn geschikte plekken voor buizerds en torenvalken. Buizerds zie je op een paaltje zitten, speurend naar muizen en mollen. De torenvalk staat vaak in de lucht te ‘bidden’. Door snel met zijn vleugels te slaan, kan de torenvalk als een helikopter op een plek blijven hangen. Het boerenland biedt ‘s winters onderdak aan grote aantallen roofvogels uit: Duitsland, Denemarken en Scandinavië. Vandaar ook dat je ’s winters veel vaker buizerds op paaltjes ziet dan ’s zomers.

 

Moeras:

Waterrijke gebieden met uitgestrekte rietvelden vormen het leefgebied van kiekendieven. In Nederland komen 3 soorten voor, de bruine, de blauwe en de grauwe kiekendief. Deze soorten broeden op de grond. Ze jagen boven het moeras en in het boerenland eromheen.

 

Dorpen en steden:

Hoe gek het ook klinkt, maar zelfs in grote steden broeden roofvogels. Als er maar bomen en struiken staan en er voldoende prooi is. Vooral in de winter zijn de bebouwde gebieden belangrijk voor roofvogels. De bossen zijn dan bijna leeg, terwijl er rond de 

huizen veel vogels zitten.  

 

 

Vogeltrek

 

Alle roofvogels hebben een territorium waarin ze naar voedsel zoeken en zich voortplanten. Voor de nakomelingen is meestal geen plek, dus moeten zij een nieuw territorium voor zichzelf zoeken.

Als er voldoende voedsel is, kunnen de ouders in hun broedgebied blijven. Zo niet, dan trekken ze ’s winters naar warmere gebieden. Soms doen ze dit omdat hun prooien zelf zijn weggetrokken.

Zo vliegen slechtvalken die op de toendra in Noord-Europa gebroed hebben zo’n 14.000 km. om de winter in Zuid-Afrika door te brengen. Vogels trekken liever niet over grote stukken water. Boven water zijn er minder opstijgende luchtstromen dan boven land. Daarom gaan veel trekroutes door gebieden met een gunstig gelegen landbrug of een korte oversteek. Panama in Midden-Amerika is zo’n gebied, net als Gibraltar in Zuid-Europa.

 

 

Nesten en eieren

 

In hun territorium (het gebied waarin ze jagen), bouwen vogels een nest waarin het vrouwtje haar eieren legt. Roofvogels nestelen meestal ver van elkaar af, omdat ze een groot jachtgebied nodig hebben. Maar sommige soorten, waaronder vale gieren en kleine torenvalken, broeden in kolonies. Roofvogels kunnen op vele verschillende plaatsen nestelen, in grotten en op rotsen, in boerderijen en verlaten nesten van andere vogels, of op de grond of hoog in de bomen. Het nest zelf is soms een eenvoudige holte in een richel en niet meer dan een kale plek waar de eieren kunnen liggen. Andere nesten zijn ingewikkelde structuren van takken en twijgen. Veel vogels keren elk jaar met dezelfde partner naar hetzelfde nest terug, dat geleidelijk wordt uitgebreid tot een enorm bouwwerk.

 

 

 

 

Uit het ei komen

 

Het aantal eieren dat het vrouwtje legt, hangt van de soort af. Grotere roofvogels zoals arenden, leggen 1 of 2 eieren. Kleinere vogels zoals torenvalken en sperwers kunnen maximaal 12 eieren leggen. De eieren moeten na het legen bebroed worden zodat de babyvogels zich kunnen ontwikkelen. Eén van de vogels zit daarom voortdurend op het nest.  Meestal doet het vrouwtje dit.

Het mannetje brengt het vrouwtje dan voedsel. Broedperiodes variëren van meer dan een maand bij kleine valken tot bijna twee maanden bij arenden en gieren.

 

 

Het kuikenleven

 

Pas uitgekomen kuikens kunnen moeilijk bewegen. Ze kunnen niet staan, en zitten dus op hun enkels. De donslaag op hun lichaam is nog te dun om hen warm te houden. Ze hebben hun moeders warmte nodig om in leven te blijven. Daarom verlaat de moeder het nest nog niet. Het mannetje blijft voedsel brengen, dat zij verscheurd en aan de jongen voert. Na ongeveer een week groeit een dikkere donslaag op de kuikens die hem warm houdt. Het vrouwtje kan het nest dan verlaten en weer op jacht gaan. De kuikens zijn sterk genoeg om te kunnen staan en bewegen. Bij vogels waarvan de eieren op verschillende tijdstippen uitkomen gaat het meeste voedsel naar de oudere kuikens. De zwakkere kuikens gaan vaak dood.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De jongen grootbrengen

 

Hoe lang jonge vogels in het nest blijven is afhankelijk van de soort. De jongen van kleinere vogels zoals giervalken blijven maar zo’n 8 weken in het nest. Jonge gieren blijven soms langer dan 5 maanden. Tijdens de groei verliezen kuikens hun dikke donslaag. Daarna komen hun echte veren tevoorschijn. Ze worden sterker en beginnen hun vleugels te oefenen door te gaan staan en ermee te fladderen.

Kort voordat ze het nest verlaten, maken ze hun eerste vlucht.

Deze belangrijke stap in het leven van de jonge vogel noemen we vliegvlug worden. Het duurt weken of zelfs maanden voordat de jonge vogels het vliegen onder de knie hebben. Tot die tijd zijn ze voor al hun voedsel afhankelijk van hun ouders.

 

 

Jagen

 

Roofvogels jagen op verschillende manieren. Veel kleine roofvogels zitten op hun tak en wachten tot er een maal op de grond verschijnt of langs vliegt. Deze vogels noemen we sluipjagers. Andere roofvogels vliegen laag boven open gebieden, van en naar een beschutte plek zoals een bomengroep. Torenvalken ‘bidden’ in de lucht terwijl ze naar prooien zoeken en staan bekend om hun spectaculaire duikvluchten. Vanaf grote hoogte duiken ze met bijna opgevouwen vleugel op hun prooi, waarbij ze tot 100 km. per uur kunnen versnellen. Hun doel is de prooi met grote snelheid te doden.

De slechtvalk pakt zijn prooien in de lucht vast of raapt ze van de grond. De slechtvalk is de snelste roofvogel. In vrije val kan hij een snelheid bereiken van wel 300 km. per uur.

 

 

 

 

 

 

De prooien

 

Roofvogels jagen op allerlei dieren. Velen jagen op andere vogels, zoals mussen, spreeuwen en duiven, die meestal in de lucht worden gepakt. Sommige roofvogels jagen op kleine zoogdieren, zoals konijnen, lemmingen, ratten, muizen en woelmuizen. Sommige grote arenden jagen zelfs op grotere zoogdieren. Filippijnse apenarenden en Zuid-Amerikaanse harpijen plukken apen uit de bomen in het regenwoud. Deze reusachtige vogels hebben een lichaamslengte van één meter. Slangarenden en secretarisvogels leven van slangen en andere reptielen. Kleine roofvogels eten vaak insecten en wormen.

 

 

Roofvogels en de mens

 

In het wild hebben roofvogels weinig vijanden, behalve misschien andere roofvogels. In veel leefgebieden staan ze boven aan de voedselketen. Ze kennen maar één bedreiging: de mens. Eeuwenlang hebben mensen op roofvogels gejaagd, omdat ze af en toe tamme dieren aten, zoals vogels die voor de jacht werden gefokt. De laatste tijd zorgen mensen ook direct voor de dood van roofvogels. Door het spuiten van bestrijdingsmiddelen op zaden en gewassen. Wanneer roofvogels gifbevattende dieren eten, worden roofvogels vergiftigd en gaan dood. Vaak liggen aangereden roofvogels langs de weg. Motorvoertuigen doden elke dag vele vogels. Dit komt omdat roofvogels vaak boven wegbermen jagen op kleine prooien. Doordat ze meestal vlak boven de grond vliegen vormen passerende auto’s en vrachtauto’s een groot gevaar. Veel roofvogels zijn nu wettelijk beschermd. Natuurbeschermers proberen vogels en andere dieren die uit dreigen te sterven, te beschermen. Ze bestuderen de leefgebieden, levenswijze en trek van roofvogels door ze te vangen, ringen om hun poten te doen en hun bewegingen te volgen. Ze hebben veel soorten in stand weten te houden door ze in gevangenschap te fokken en hun nakomelingen weer in het wild los te laten. Tegenwoordig zijn er overal ter wereld opvangcentra, waar roofvogels nauwkeurig bestudeerd kunnen worden. Het publiek kan ze daar ook in actie zien. De toekomst van veel roofvogels ziet er beter uit in die delen van de wereld waar mensen veel waarde hechten aan natuur en milieu.

 

 

Valkenjacht

 

Jagen met roofvogels noemen we valkenjacht of valkerij. In het Midden-Oosten is het al jaren een populaire sport. Tegenwoordig zijn er ook in andere delen van de wereld vele beoefenaars. Valkeniers gebruiken verschillende soorten vogels voor de jacht. De meesten hebben een voorkeur voor vogels met lange vleugels, zoals valken. Maar vogels met korte vleugels zoals haviken, en brede vleugels, zoals buizerds, worden ook gebruikt. Een valkenier moet vaardig en geduldig zijn om een vogel te kunnen africhten. Eerst moet hij zijn vertrouwen winnen, zodat de vogel op zijn vuist wil zitten en eten. Dan wordt de vogel getraind, zodat hij een goede conditie krijgt en prooien leert achtervolgen. Een valkenier laat de vogel aan een lange lijn vliegen voordat hij los mag vliegen. Tot de uitrusting van een valkenier behoren ook pootriempjes, kappen en lokaas.

 

 

Enkele soorten

 

Buizerd:

 

De buizerd is een vrij dikke vogel met een platte kop en een vrij korte snavel. Hij wordt ongeveer 55 cm. als hij volwassen is.

De buizerd kan veel kleuren hebben, namelijk van zwartbruin tot spierwit, van gevlekt tot egaal bruin. Hij komt bijna in heel Noord-Europa voor en trekken in de herfst naar Afrika. De buizerd blijft vaak op een paal zitten en kijkt dan uit naar kleine zoogdieren en naar vogels. De vrouwtjes leggen ongeveer 2 tot 3 eieren in meestal een gebruikt nest.

 

 

 

Sperwer :

 

Het is een erg kleine roofvogel maar best snel en heeft veel strepen op de borst. De sperwer wordt ongeveer 28 tot 38 cm en wordt bruin en het vrouwtje roodbruin. De sperwer woont in Afrika en in Noordwest Europa. Ze jagen achter kleine vogels aan en grijpen ze na een korte achtervolging. Ze leggen 1 tot 3 eieren in een nest hoog in een boom.

 

 

Torenvalk :

 

Dit is een vogel die een beetje klein is met korte pootjes en een kleine kop. Ze worden 34 cm. groot en hebben een roestbruin patroon op de vleugels. Ze wonen in bijna heel Europa. De torenvalk trekt weinig en jaagt op muizen en insecten. Het vrouwtje legt rond de 2 eieren en legt ze op de raarste plekken.

 

 

Amerikaanse Zeearend :

 

Dit is mijn lievelingsdier en het is het symbool van de macht. Het is een van de grotere roofvogel. Hij is dan ook 70 tot 90 cm groot.

Hij is zwart tot bruin kleurig met witte kop en staart. Ze leven in Amerika en jagen voornamelijk op vis maar lusten eigenlijk alles.

De vrouwtjes leggen rond de 3 eieren en trekken alleen bij strenge winters.

 

 

 

Dit was mijn spreekbeurt, zijn er nog vragen?




Privacy Copyright Spreekbeurtenstartpagina.nl