Deze spreekbeurt werd gemaakt door Saskia C. van Leeuwen, ze kreeg een 8,5

 

 

1. De Dierenbescherming.

De Dierenbescherming is een van de oudste verenigingen van Nederland, ze staan klaar voor alle dieren. Met 195.000 leden waarvan 35.000 jeugdleden, 133 afdelingen, 160 vrijwilligers en 11 beroepsinspecteurs is de Dierenbescherming ook de grootste organisatie in Nederland die opkomt voor dieren. Dierenleed gebeurt nog elke dag, men sluit dieren op of laten ze uitputten of mensen mishandelen dieren, ook doding komt dagelijks voor. Pas geboren poesjes worden bijvoorbeeld nog vaak verdronken in rivieren en sloten. De Dierenbescherming neemt het op voor de zwakste schepsels. Ze beschermen de zwakste voor de sterkste, de mens, omdat dieren dat zelf niet kunnen.

2. De geschiedenis van de Dierenbescherming.

HET BEGIN.

Het gebruik van de trekhond is in Nederland officieel pas sinds 1961 bij de wet verboden. In de vorige eeuw was het gebruik van de trekhond gemeengoed bij de melkboer, de olieman, de slager, de bakker enzovoorts. De gewone werkman had al een erg bestaan, laat staan dat hij goed voor zijn dier zorgde. Het dier had met recht een hondenleven, net als zijn collegae de trekpaarden en de waakhonden. Daarnaast werden ook veel dieren misbruikt voor volksvermaak, zoals hanen- en hondengevechten, het katknuppelen en het palingtrekken. Zo’n 2 eeuwen geleden kwamen er steeds meer mensen in opstand tegen de mishandelingen. In Groot-Brittannië liep men daar voorop. Daarmee wordt bedoeld dat zij de eerste waren. Daar hadden ze in 1822 al een landelijke dierenwetgeving. Ook België, Frankrijk en Oostenrijk waren daar al redelijk vroeg mee. Nederland is eigenlijk best laat gekomen met de landelijke dierenwetgeving.

HAAGSE HEREN.

In het jaar 1864 is de Dierenbescherming eigenlijk officieel begonnen, toen werd namelijk de ‘s Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren opgericht. In Groot-Brittannië werd al in 1824 the Royal Society for the Prevention of Cruelty to Animals opgericht. De eerste dingen die de Nederlandse vereniging deed waren onder meer het afschaffen van de trekhonden, het verbeteren van de leef- en werkomstandigheden van de paarden, het verbieden van het verwijderen van oren en staarten bij honden en paarden en het verbeteren van de slachtvoorschriften, onder andere het verplichten van de verdoving

ANDROCLES

De Dierenbescherming had vroeger ook een blad, dat Androcles heette. Het was een maandschrift (dat betekende dat je hem één keer per maand kreeg). Aan de belangen van de dieren gemaakt voor de jeugdvereniging, verenigd in jeugdclubs, kwam er vanaf 1870 een speciale uitgave; De Kleine Androcles. De naam Androcles komt van een legende waarin een zekere Androcles op een zwerftocht door het veld een gewonde leeuw tegenkwam. Hij verloste het dier van een pijnlijke doorn in zijn poot. Een paar dagen later kwamen de leeuw en de man elkaar weer tegen, maar nu in de arena in Rome, het Coloseum. Als christen werd Androcles voor de leeuwen geworpen. Maar de leeuw die hem moest doden herkende de man en spaarde hem.

VAN VELDWACHTER TOT INSPECTEUR

Aan wetten moet je je houden, of dat wordt gedaan moet worden gecontroleerd. In de begintijd kende de Dierenbescherming daarvoor de veldwachter. Veldwachters (een soort plattelands-politie) konden ook in dienst van de vereniging staan. Zoals hun naam al zegt controleerden zij het veld; ze mochten de burger bekeuren die de wetgeving overtrad of spraken hen bestraffend toe. Veldwachters zijn er tegenwoordig niet meer in Nederland. Er is gemeente- en rijkspolitie die hun taak helaas niet bij het beschermen van dieren heeft neergelegd. Daarom heeft de Dierenbescherming nog steeds haar eigen landelijke inspectiedienst, de L.I.D.

GROEI

In 1875 telde de vereniging zo’n 2000 leden, rond de eeuwenwisseling was het aantal verdubbeld tot zo’n 4000 leden, verdeeld over 11 afdelingen. Rond 1920 was de vereniging zó gegroeid dat er vast personeel moest worden: in 1922 kwam er secretaris die werd betaald en in 1930 een tweede. De groei zette vooral door na de Tweede Wereldoorlog. De Nederlanders hadden toen een sterke neiging om zich bij de verenigingen aan te sluiten. De Dierenbescherming was bekend: de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was ze behoorlijk hard bezig geweest de ideeën in te prenten bij het Nederlandse volk. Je hoorde over de Dierenbescherming in de klas, je las er over in de krant en je kreeg er toespraken over te horen op de radio. En wat te denken van het asiel in de buurt, de wandplaten op school en de ladingen folders en speldjes op Werelddierendag. Na de oorlog, met name onder directeur George Nieuwenhuijsen (tot 1965), groeide de vereniging flink, van 65.000 leden in 1970 tot 100.000 in 1978.

De jaren ’70 worden ook gekenmerkt door een verhoogd milieu en natuurbewustzijn.

Daar profiteerden organisaties als Natuurmonumenten, Greenpeace en het Wereld Natuur Fonds van, maar ook de Dierenbescherming.

3. Plezierjacht: doden om de kick.

In Nederland worden elk jaar zo’n 2,5 miljoen in het wild levende dieren doodgeschoten door Nederlandse plezierjagers, maar ook door toeristen die speciaal hiernaar toe zijn gekomen om de dieren te doden. De jager trekt er gezellig met zijn vrienden op uit, op zoek naar de kick van het sluipen en urenlang in de bosjes liggen om vervolgens het dier wat toevallig voor zijn vizier komt genadeloos neer te schieten. Een schot dat dieren in één keer dood komt bijna nooit voor. Het niets vermoedende dier raakt gewond en zoekt bloedend een schuilplaats. Wordt hij niet gevonden door de jachthond dan zal het dier waarschijnlijk lijden tot de wond genezen is. Zo vliegt bijvoorbeeld 60% van alle ganzen met één of meerdere kogels in zijn lijf rond. Na een gezellig dagje uit voelen de jagers zich weer helemaal de man. Natuurlijk: jagen brengt spanning met zich mee. We hebben vroeger allemaal wel eens tikkertje gespeeld. Alleen werd daarbij niet onnodig veel bloed vergoten en onnodig veel pijn verricht. De dierenbescherming is tegen de plezierjacht. Ze strijdt voor afstraffing van de jacht volgens het nee-tenzij-principe. Dit betekent dat jacht op alle dieren in principe verboden moet worden. Ernstig zieke dieren mogen natuurlijk uit hun lijden verlost worden.

Nog altijd 1,9 miljoen levende doelwitten.

1 stap in de goede richting, maar de Fazant, de Houtduif, de Wilde eend, de Patrijs, de Haas en het konijn lopen nog steeds het risico plotseling de kogel te krijgen. in plaats van 2,5 miljoen dieren mogen er nu nog maar 1,9 miljoen dieren doodgeschoten worden

4. Insectenplaag.

De meeste vogels die de jagers vangen zijn insecteneters. Dit betekent deze vogels uitsterven en de insecten geen vijanden meer hebben zodat er heel veel insecten kunnen komen. Dat heet een insectenplaag. Het is wel mogelijk om de insectenplagen te bestrijden d.m.v vergiftigde middelen. De kans is dan wel groot dat met het vergiftigen van insecten ook de insecteneters doodgaan, omdat zij deze vergiftigde dieren willen opeten. De vergiftigde middelen doen dus meer kwaad dan goed.

Als de menden ingrijpen bij iets moeten ze ook nadenken over de gevolgen. Regels hiervoor vind je in de Bestrijdingsmiddelenwet. Dat is een wet waarin staat welke middelen voor een bepaald doel mogen worden gebruikt en hoe ze moeten worden gebruikt.

5. Voorbeelden van dierenmishandelingen.

HET DIER EN DE MODE

Steeds meer diersoorten met hun bestaan bedreigd. Dat wil zeggen dat ze gevaarlopen uit te sterven doordat de mens ze doodt. Een van de bekendste bedreigde dieren is de zeehond. De huid van de jonge zeehondjes levert een bondsoort die sommige mensen heel mooi vinden. Kort na de geboorte worden de dieren doodgeslagen en wordt de vacht eraf gehaald. Die wordt dan bewerkt tot witte bond.

De mode vraagt niet alleen bont, maar soms ook veren. Zo is er een tijd geweest dat men de veren van een fuut gebruikte om er hoedjes van te maken. Hierdoor werd op heel veel van deze watervogels geschoten. Nu behoort de fuut tot de beschermde vogels; hij mag dus niet meer worden gevangen en geschoten.

Maar voor de mode is niet het enige waar dieren aan doodgaan. Door andere oorzaken zoals de vervuiling van de zee sneuvelen ook veel dieren. Zo lopen er een hoop dieren het gevaar binnen korte of langere tijd uit te sterven.

Weer een andere oorzaak is de verkleining van de leefruimte van dieren. Steeds meer natuurgebieden worden namelijk ontgonnen en in cultuur gebracht, dat wil zeggen dat de mensen er akkers aanleggen en daar is geen plaats voor wilde dieren zoals de panter.

Ook op andere manieren worden dieren gebruikt en misbruikt, door vivisectie bijvoorbeeld.

Vivisectie betekent: proeven op levende dieren. Soms heeft vivisectie alleen maar het doel om winst te maken, bijvoorbeeld in de industrie van schoonheidsmiddelen. Daar zouden proeven op levende dieren moeten zijn maar er kan niet genoeg tegen worden geprotesteerd. Het opsporen van misstanden in de vivisectie is vaak erg moeilijk omdat de proeven in afgesloten ruimten worden gedaan.

Ik schrijf nog een paar voorbeelden van mishandeling op:

  • Er werd een keer een koe gevonden met vergroeide hoeven aan de achterkant; de hoeven waren niet op tijd bijgewerkt. Ook een keer vond men een hond wiens ketting helemaal door de huid was gegroeid.
  • Om te voorkomen dat varkens met hun snuit het hele terrein omwoelen wordt door hun neus soms een ijzeren ring aangebracht. Maar zomaar een stuk ijzerdraad door de neus boren mag natuurlijk niet.
  • Het gebeurt ook vaak dat dieren te lang worden gehouden. Hierdoor vermageren ze helemaal. In zulke gevallen moet worden opgetreden door de inspectie.
  • De hoorns van runderen hebben soms zo’n vorm dat ze in de huid groeien. In dat geval moeten ze worden afgezaagd. Als dat niet gebeurt heeft het dier erg veel pijn.

6. Dierenpensions.

Meestal als je op vakantie gaat doe je je huisdier in een pension. Dat is een tehuis waar dieren worden verzorgd als hun eigenaar er niet is. Maar natuurlijk moet je daar wel voor betalen. Jammer genoeg zijn er ook mensen die niet willen betalen. Ze laten hun huisdier achter op een eenzame weg of zetten hem aan een boom in het bos. Tegenwoordig is het onverzorgd achterlaten van dieren verboden bij de wet.

Wanneer de politie de eigenaar kan opsporen wordt er een proces-verbaal tegen hem opgemaakt. Dat is een schriftelijke verklaring aan de hand waarin de man wordt veroordeeld tot een geldboete of een hechtenis. Een hechtenis is dat je de gevangenis in wordt gegooid.

 

7. Bio-industrie: dieren als machines.

Bij bio-industrie draait het allemaal om geld. Men wil een maximale productie. Een voorbeeld: ze willen zoveel mogelijk eieren voor zo min mogelijk geld. Sommige beesten hebben hun hele leven geen zonlicht gezien. Er wordt bijvoorbeeld een kalfje geboren en dat wordt gelijk in een heel krap hok gezet. Het beest kan zich niet draaien en bijna niet bewegen. Men mest het beest vet opdat het veel geld waard wordt. Ze doen hem in een hok omdat hij dan niet kan afvallen. Hoe sneller de boer zijn koe kan verkopen, hoe beter.

ZO KAN HET OOK

Niet alle dieren worden in een legbatterij gestopt. In de winkel kan je ook scharreleieren kopen. Scharreleieren komen van dieren die mogen scharrelen, ze lopen gewoon vrij rond. De kippen hebben een vrijer en gezonder leven dan hun soortgenoten in de bio-industrie. Ze hebben meer ruimte en stro om in te liggen, stof om in te baden en in een aantal gevallen kunnen ze naar buiten. Scharreldieren krijgen gezondere voeding en zitten niet vol met groeibevorderende middelen. De biologische veehouderij is nog beter voor het dier dan de scharrelhouderij. Op de biologische veehouderij kunnen de dieren zoveel mogelijk volgens de wetten van de natuur hun gang gaan.

LIJDENSWEG NAAR HET BORD

In de Nederlandse bio-industrie worden jaarlijks meer dan 400 miljoen dieren onder afschuwelijke omstandigheden gehouden en gedood. Men stopt dieren in overvolle hokken van staal en beton. De dieren worden mishandeld zodat ze beter te houden zijn:

  • Snavels worden afgebrand.
  • Tandjes en staartjes worden afgeknipt.
  • En hoorns worden afgezaagd.

Meestal gebeurt dit allemaal zonder verdoving.




Privacy Copyright Spreekbeurtenstartpagina.nl